|
Terug naar dossier
Autochrome werd niet voor niets zo enthousiast binnengehaald: eindelijk kon de wereld in kleur worden gefotografeerd. Maar het was niet enkel hosanna: hoe erg was het dat de ontwikkeling van autochromes nauwelijks handmatig ingrijpen toestond? Een autochromeplaat moest goed belicht en ontwikkeld worden, maar daar hield de invloed van de maker zo’n beetje op. In zwart-witfotografie begon het dan pas: juist bij het maken van een afdruk kon de fotograaf zich uitleven en het beeld naar zijn hand zetten. De mogelijkheid tot beïnvloeding werd door velen cruciaal geacht. Zonder die invloed was fotografie slechts iets mechanisch. Waarschijnlijk vonden velen het autochromeprocédé om die redenen te eenvoudig.
vol enthousiasme
Veranderde autochrome de manier van kijken of de onderwerpskeuze? Het antwoord moet ‘nee’ luiden. Natuurlijk zag een kleurenopname er anders uit dan een in zwart-wit en had ze een onvergelijkbaar ander effect, maar opvallend is dat alle onderwerpen waarop fotografen zich na 1907 met vol enthousiasme stortten – inclusief bollenvelden, zonsondergangen en bloeiende bloesem – óók in zwart-wit werden vastgelegd. Zeventig jaar gewenning aan zwart-wit – er was niks anders – maakte dat men aan kleur nog erg moest wennen. Het was eerder zaak dat kleurenfotografie het niveau van zwart-wit moest zien te bereiken: aan iets anders, nieuws kwam men daardoor nog niet toe.
Anoniem Nederlands | Collectie Rijksmuseum Amsterdam | Gezicht op bloembollenvelden (z.j.)
een uitdaging
Fotografen moesten zich vooral inhouden, lijkt het, wanneer ze zich aan de kleurenfotografie waagden. Harmonie ging voor alles. Zo was het in zwart-wit, zo moest het ook in de kleurenfotografie zijn. ‘Een goede schakeering van een klein aantal met smaak gekozen kleuren heeft het meeste succes’, lezen we bijvoorbeeld in 1928 in het Bonds Nieuws BNAFV. W.H. Idzerda, de hartstochtelijke pleitbezorger van het picturalisme die zijn meningen uitdroeg in vele artikelen en boeken, schreef dat een bijvoorbeeld stilleven niet ‘te heterogeen in kleur’ moest zijn (Kleurenfotografie in de praktijk, Amsterdam 1927). Deze opvatting was nog gangbaar toen het autochromeprocédé medio jaren ’30 van het toneel verdween. Ze heeft de kleurenfotografie dus lang achtervolgd. Kleur vormde eerder een gevaar dan een uitdaging.
dominante factor
Een eigen esthetica van de kleurenfotografie, die duidelijk afweek van wat gebruikelijk was in zwart-wit, ontstond pas na de Tweede Wereldoorlog. Toen ontdekten fotografen – of werd het hen toegestaan – de nieuwe mogelijkheden om kleur te gebruiken als dominante factor van het beeld en om kleuren met elkaar te contrasteren in één opname. Dezelfde contrasten werden in het tijdperk van de autochrome nog juist ten sterkste afgeraden. Vooral vanaf de jaren ’70 werd het steeds gebruikelijker om kleur op deze wijze te benutten. De Amerikaanse fotograaf William Eggleston is een bekend vroeg voorbeeld.
camp
Opvallend is het grote aantal zonsondergangen op autochromes, terwijl bloembollenvelden en bloesems ook niet zeldzaam zijn. Tegenwoordig haalt iedere zichzelf respecterende fotograaf zijn neus ervoor op – tenzij het camp betreft –, maar er was een tijd dat je zonsondergangen ongegeneerd mooi mocht vinden. Claude Monets beroemde schilderij Impression, soleil levant, dat het impressionisme zijn naam gaf, dateert van 1872-1873. Een paar jaar later schreef Gideon Busken Huet (zoon van de bekende schrijver-journalist) tijdens een reis van Nederlands-Indië naar Europa in een brief dat hij, hoewel hij niet veel om de natuur gaf, de haven van Padang bij zonsondergang onvergetelijk mooi vond. Het zou interessant zijn na te gaan sinds wanneer je zo’n mening maar beter voor je kunt houden.
Jacob Olie Jr. | Collectie Rijksmuseum Amsterdam | Zonsondergang boven zee (z.j.)
Terug naar dossier |