|
Terug naar dossier
Het maken van kleurenfoto’s was met autochromes veel eenvoudiger dan met andere kleurentechnieken, maar was het ook net zo eenvoudig als het maken van opnames in zwart-wit? In de literatuur uit de tijd zelf verschillen de meningen, maar zeker is dat het niet erg veel lastiger was. Het belangrijkste verschil was waarschijnlijk dat de belichting van een autochromeplaat nauwkeuriger luisterde. Doordat de emulsie dunner was dan van een gewoon zwart-witnegatief raakte ze namelijk sneller over- of onderbelicht. Het was daarom raadzaam grote contrasten (die vooral bij vol zonlicht gemakkelijk konden optreden) te vermijden.
fijnkorreliger
Dat er beter niet bij fel zonlicht gewerkt kon worden was een belangrijk nadeel: de lichtgevoeligheid van autochromeplaten was namelijk ongeveer zestig keer lager dan die van gewone zwart-witnegatiefplaten. Dat werd vooral veroorzaakt door het raster: dat hield een belangrijk deel van het licht tegen dat bij een zwart-witopname ongehinderd de emulsie kon bereiken. De transparantie van een autochromeplaat was slechts 7,5 % van die van een rasterloze zwart-witplaat. Het geelfilter dat nodig was om de te grote gevoeligheid voor blauw te corrigeren verdubbelde de belichtingstijd. Daar kwam nog eens bij dat de emulsie fijnkorreliger moest zijn dan bij een gewone zwart-witplaat, wat resulteerde in een nog lagere lichtgevoeligheid. Momentopnamen waren er dus niet bij, terwijl fotografen daar nou juist sinds een kleine kwart eeuw gewend aan waren. Opeens zien we weer bewogen hoofden, water, vlaggen, enzovoort.
Anoniem Nederlands | Collectie Rijksmuseum Amsterdam | Twee mannen bij blauwwit geschilderde badkoetsen (z.j.)
zó goedkoop
Er was nog een punt waarop autochromes het aflegden tegen zwart-witfotografie: de platen waren drie keer zo duur. Dat zette overigens wel aan tot grotere selectiviteit. Zwart-witnegatiefplaten waren namelijk zó goedkoop geworden dat fotografen er soms maar wat op los schoten. Daar was niet iedereen over te spreken: het haalde het gemiddelde niveau naar beneden. Om de hogere prijs van autochromeplaten een beetje te verdoezelen, werden ze per vier stuks verpakt in plaats van de gebruikelijke twaalf. Hoe doorzichtig dat trucje misschien ook was, het getuigt van enig inzicht van de fabrikanten in consumentenpsychologie.
speciale kijkers
Van autochromes konden geen afdrukken gemaakt worden. Ze werden daarom bekeken met een projector, met speciale kijkers of door de dia tegen het licht te houden. Dat was mogelijk een belangrijke reden dat beroepsfotografen zich minder aan dit procédé waagden dan amateurs. Die laatsten beoefenden hun hobby vaak in verenigingsverband, waarbij gezamenlijke activiteiten een grote rol speelden. Het projecteren van dia’s – niet alleen autochromes – werd daarom in die kringen minder als een bezwaar gevoeld. Dat er geen afdrukken gemaakt konden worden had ook een voordeel: je hoefde geen afdrukken te leveren aan kennissen die daarom verzochten.
vele formaten
Autochromeplaten werden op veel formaten geleverd: van 4,5x6 tot 18x24 cm. In W.H. Idzerda’s boek Kleurenfotografie in de praktijk (Amsterdam z.j.) worden er 27 maten vermeld. Sommige formaten waren bedoeld voor stereo-opnamen. Naar het schijnt werden 9x12-platen vooral gebruikt voor projectie, die op 13x18 en 18x24 zouden vooral gebruikt zijn voor kijkers en voor het tentoonstellen van autochromes.
Terug naar dossier |