Gebruikersnaam
Wachtwoord
Registreer | Wachtwoord vergeten? | Meer info | Sluiten
English

Het wiel hoef je niet uit te vinden


       NEDERLANDS FOTOMUSEUM
       BEDANKT:
sponsorenfilmpje.gif

Terug naar dossier


Anderen gingen je voor. Bijvoorbeeld door een cursus te volgen waarin je verschillende fotografische procédés leert herkennen. In Nederland wordt zo’n determineercursus gegeven door Herman Maes die als fotorestaurator verbonden is aan het Nederlands Fotomuseum. Maar je wilt natuurlijk vooral zelf aan de slag. In dat geval kun je terecht bij Polychrome, een atelier in Middelburg waar je workshops kunt volgen om kennis te maken met allerlei procédés.

onmisbaar naslagwerk
Studenten van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag kunnen gebruik maken van de fotografiekwerkplaats waar ze worden begeleid bij hun experimenten met fotografische procédés. Tijdens zo’n workshop of les kom je ook te weten waar je de leveranciers kunt vinden van de benodigde materialen en welke veiligheidsmaatregelen je moet nemen. Soms werk je namelijk met gevaarlijke stoffen. Als nieuwe verkenner van procédés begin je het best met een cyanotypie, gomdruk, broomoliedruk, zoutdruk, albuminedruk of kallitypie. De website Alternativephotography.com is hoe dan ook een onmisbaar bij oriëntatie hierop.

Cyanotypie
Studiemateriaal Nederlands Fotomuseum (c) | Een cyanotypie


absolute must
De internationale autoriteit op het gebied van alternatieve procédés is Mike Ware. Zijn website is een absolute must voor wie zich verder wil bekwamen of meer wil weten over de achtergrond van welke afdruktechniek dan ook. Ook zijn er verenigingen zoals het in 2004 opgerichte Picto Benelux die via internet informatie probeert te verzamelen en te verspreiden over oude afdruktechnieken. In het Nederlands taalgebied blijven dat soort organisaties helaas zeldzamer dan in het Engels taalgebied.

Albuminedruk
Studiemateriaal Nederlands Fotomuseum (c) | Een albuminedruk



zelfgemaakt
Wanneer je zelf aan de slag gaat om een lichtgevoelige laag te maken en daar een drager mee gaat insmeren dan is die niet zo gevoelig als de laag op het fotopapier dat nu in fabrieken wordt gemaakt. (Herlees hierover het artikel Het is net zonnen in dit dossier nog eens) Als je die kleine negatieven direct op zelfgemaakt fotopapier legt dan levert dat even kleine afdrukken op. En je wilt waarschijnlijk wel wat groters, maar grotere afdrukken betekent in dit geval grotere negatieven.

van stal
Er zijn mogelijkheden om van kleine negatieven grote te maken met vlakfilm, filmmateriaal dat niet op rolletjes zit maar in vellen gemaakt wordt, maar die methode is kostbaar, tijdrovend en niet altijd even mooi. Het probleem is namelijk dat de toon en het contrast van de negatieven van nu is afgestemd op fotopapier van nu. Voor het beste resultaat zou je dus eigenlijk negatieven moeten gebruiken die bij de lichtgevoelige laag passen die je gemaakt hebt. Maar die enorme camera’s van stal halen en fotograferen op glasnegatieven is erg bewerkelijk.

het klopt
Scantechniek en beeldbewerkingsprogramma’s hebben geholpen om een bruikbaar negatief voor deze procédés bereikbaar te maken. Je kunt een digitaal of gescanned beeld namelijk in negatief printen op transparante vellen. In het beeldbewerkingsprogramma kun je de kleuren en contrasten van het digitale negatief zo aanpassen dat ze kloppen met de lichtgevoeligheid van het procédé van je keuze. De enige beperking voor de afmetingen van je negatief is de maat van de printer. Op Digital-negatives.com is meer over de mogelijkheden met Photoshop te lezen. Ook Polychrome geeft workshops om je te leren hoe je goede digitale negatieven kunt maken.

Terug naar dossier

 
< Vorige   Volgende >
Zie ook...