|
Terug naar dossier
Simpel gezegd druk je het fotografisch beeld op iets af. Hetgeen waar
je op afdrukt heet de drager. Dat kan van alles zijn, bijvoorbeeld:
textiel, kunststof, keramiek of zelfs boombladeren. Maar ook als je
‘gewoon’ voor papier kiest kun je allerlei kanten op. Een printer drukt
af met inkt. Maar bij de meeste fotografische technieken zit op de
drager een laagje met lichtgevoelig spul. Kant-en-klaar als op een stuk
fotopapier uit de fabriek, maar je kunt ook zelf een lichtgevoelige
laag maken en die op een drager naar keuze smeren.
Binh Danh (c) | Haines Gallery, San Francisco | Found Portrait, 2003 (Chlorofyldruk)
zwemkleding
De lichtgevoelige laag wordt donkerder als er licht op valt.
Door de drager met de laag gedeeltelijk af te dekken en er dan licht op
te laten vallen ontstaat het beeld. Wie zich daar niks bij kan
voorstellen moet maar flink gaan zonnebaden met zwemkleding aan. Bij
het uittrekken van je kleding snap je het principe: je hebt een foto
van je kleding gemaakt en je lichaam is de drager.
mixen en smeren
Voor lichtgevoelige lagen bestaan allerlei recepten. Niet alles blijkt
te werken en niet alles is mooi, maar er is wel veel dat goed werkt.
Het ene recept zorgt voor een scherp beeld, het andere voor een
contrastrijk beeld, soms wordt de foto groenig, soms bruinig, soms
blauwig, soms….. Het aantal mogelijkheden is oneindig. De eerste
fotografen hebben flink staan mixen en smeren om recepten te vinden die
voor een scherper of duurzamer beeld zorgden of om iets te vinden dat
goedkoper of gebruiksvriendelijker was.
Studiemateriaal Nederlands Fotomuseum (c) | Experiment uit lang vervlogen tijden
uitgebreid
Een paar procédés (recepten) werden populairder en bekender dan
anderen. Zodra je vertrouwd raakt met hun namen en gaat surfen op het
internet blijkt dat er voor ieder procédé wel ergens een club of
community bestaat, ook voor de oudste fotografische techniek: de
daguerreotypie, waarover op deze website een uitgebreid dossier te
vinden is. Waarschijnlijk het lastigste procédé om zelf te doen, maar
ze worden nog steeds gemaakt. Kijk maar eens op Newdags.com.
stuk kunststof
Bij sommige procédés, zoals de daguerreotypieën wordt de enige afdruk
direct in de camera gemaakt. Van iedere foto is er maar één, net zoals
bij een Polaroid. Bij andere procédés gebruikt de fotograaf een
negatief. Daarbij belicht hij transparant materiaal in de camera en het
beeld komt omgekeerd de camera uit: alles wat in werkelijkheid licht
is, wordt donker en andersom. Aanvankelijk was dat transparante
materiaal een glazen plaat, later film, wat eigenlijk een stuk
kunststof is met een lichtgevoelige laag erop.
erg lichtgevoelig
Het grote voordeel van een negatief is dat daar meerdere
positieve afdrukken mee kunnen worden gemaakt op lichtgevoelig
materiaal, bijvoorbeeld fotopapier. De meest voorkomende negatieven
zijn kleiner dan de afdrukken die ermee zijn gemaakt. Dat kleine beeld
wordt met behulp van een apparaat met een lamp erin (vergroter) op
fotopapier geprojecteerd. Van een afstand, daarom wordt het beeld op de
afdruk groter. Die manier van belichten kan alleen met papier dat heel
erg lichtgevoelig is. Voordat dat papier bestond werd het negatief
direct op het lichtgevoelige materiaal gelegd en zo belicht.
lantaarn
Met zulk extreem lichtgevoelig papier kan een fotograaf niet bij gewoon
licht werken. Hij werkt in een ruimte die hij lichtdicht maakt (doka)
en voorziet van speciale lampen. Als je geen moderne doka hebt met
vergroters en speciale lampen dan kun je toch nog het een en ander
afdrukken. De meeste van die procédés zijn immers in de negentiende
eeuw uitgevonden en toen hadden ze al die foefjes ook nog niet. Met een
lantaarn met een kaars kom je dan een heel eind.
Terug naar dossier |