|
Terug naar dossier
Beste Nicéphore Niépce,
Het is duidelijk dat het zien van de daguerreotypie u niet ongeroerd heeft gelaten. Wat bewoog u het meest: het zien van het beeld, of het gevoel dat u uw naam als uitvinder van de fotografie blijkt te moeten delen met de afgebeelde persoon, Daguerre?
Als ik me een uitvinder voorstel, zie ik een bevlogen persoon, geobsedeerd door zijn ideeën, die op een zeker moment een geniale inval krijgt. Vindt u dat naïef? Was Louis Daguerre inderdaad zo’n figuur, een integer genie? Voor hetzelfde geld was hij een arrogante wetenschapper die op uit was roem en winst.
Tegenwoordig kunnen we alleen speculeren over de ‘uitvinding’ van de fotografie, ook al hebben wij waarschijnlijk een beter overzicht over die geschiedenis dan u. Zo weet ik dat vele verschillende ontdekkingen hebben geleid tot haar onstaan.
Het principe van de camera obscura werd al in de zestiende en zeventiende eeuw gebruikt. In de eerste helft van de achttiende eeuw werd de lichtgevoeligheid van bepaalde zilveroplossingen ontdekt. Vijftig jaar daarna de fixerende werking van ammonia. Verscheidene chemici deden onderzoek naar latent beeld en ontwikkelingversnellende en -remmende stoffen.
Kortom, alle ingrediënten voor de eerste foto waren allang aanwezig. Er bestaat alle aanleiding om je af te vragen waarom de fotografie niet eerder uitgevonden is. Bekijk het echter in dit licht: de gedane ontdekkingen waren slechts bijkomstigheden van onderzoek naar andere verschijnselen dan de fotografie. Men was dus niet zonder meer op zoek naar een fotografisch procédé.
Dat is ook wel logisch: hoe kan een mens zich het belang van een fotografisch procédé voorstellen, zonder überhaupt te weten wat een foto is? Daar was een groot voorstellingsvermogen voor nodig. Niet in de laatste plaats kennis en onafhankelijkheid. Uw verdienste is mij duidelijk: u bezat die eigenschappen, anders hadden we nu niet dat grove beeld gehad dat u van het uitzicht uit uw raam op een tinnen plaat heeft weten te vangen. Dat maakt van u een uitvinder.
Hoe meer ik over de daguerreotypie nadenk, hoe kleiner Daguerres aandeel in de uitvinding van de fotografie lijkt. Daarbij komt het gerucht dat hij zijn ontdekking deed door toevallig een aantal zilveren platen in een kast met chemische stoffen te laten liggen.
Toen duidelijk werd dat W.H. Fox Talbot in het Verenigd Koninkrijk ook aan een procédé werkte, doordat hij het alvast patenteerde, schoof Frankrijk Louis Daguerre naar voren als uitvinder van de fotografie. Fotografie moest en zou Frankrijks ‘geschenk aan de wereld’ zijn. Daguerre moest gelden als de geniale Fransman die de Engelsen voor was. Fotografie was de inzet van een wedloop.
Werkte hij u niet met u samen, kort voordat u stierf? Het laat zich raden dat Daguerre aan u schatplichtig is. Dan moet het u wel frustreren dat hij zo’n gevierde man is geworden. Voor uitvinders geldt nou eenmaal eenzelfde wetmatigheid als voor fotografen: serendipiteit. In hoeverre weet je een samenloop van toevallige omstandigheden naar je hand te zetten? Ik kijk uit naar uw visie hierop.
Hartelijke groet,
Nickel van Duijvenboden
Terug naar dossier |