|
Terug naar dossier
Portret van P.J. Buyskes (kale plaat), ca. 1848 - 1860 | Fotograaf onbekend | Privécollectie
De basis van een daguerreotypie is een spiegelend plaatje metaal. Het bestaat om precies te zijn uit een flinterdun laagje zilver op of om een koperen drager. In tegenstelling tot fotopapier met een papieren en kunstof basis, is een daguerreotypie niet buigzaam en enigszins zwaar.
standaardmaten
De fabricage van platen voor het daguerreotyperen was al vroeg een gestandaardiseerd proces. Zo hanteerden fabrikanten standaardmaten, een toepassing die vergelijkbaar is met die van huidige papierformaten, zoals A4. Een van de meest voorkomende maten onder Europese daguerreotypieën is 10,8 × 8,1 cm. Dat is ongeveer de maat van een cassettebandje.
zilvermerken
Het verzilveren was een proces waaraan wettelijke regels verbonden waren. Fabrikanten waarmerkten hun producten met een zilvermerk. In de hoeken van veel platen zijn deze merken te vinden als reliëfdrukken van ongeveer een halve vierkante centimeter. In veel gevallen bestaat zo’n merk uit een logo van de fabrikant en een cijfer dat het zilvergehalte aanduidt. Deze zilvermerken kunnen informatie bevatten over de herkomst van een daguerreotypie.
Zilvermerk van de fabrikant Charles Christofle, 1850
Merk met zilvergehalte, ca. 1848-1860
spiegelglad
Voor gebruik prepareerde de fotograaf meestal zelf de daguerreotypieplaten. Ook dit laat zijn sporen na. Om het zilveren oppervlak spiegelglad te krijgen, polijstte hij de plaat met speciale instrumenten. Dit uit zich in uiterst fijne polijstlijnen, die altijd evenwijdig over het oppervlak lopen. Een geprepareerde plaat mocht niet met de hand worden vastgepakt. Hiervoor dienden klemmen. Het gebruik daarvan is dikwijls zichtbaar aan gebogen randen of hoeken. Sommige klemmen perforeerden de plaat zelfs of lieten een patroon van inkepingen achter. Ook deze eigenschappen geven informatie over de oorsprong van een daguerreotypie.
Polijstlijnen en gebogen hoeken bij portret Johannes IV Enschedé (ca. 1848 - 1860) | Fotograaf onbekend | Museum Joh. Enschedé, Haarlem
platen knippen
Sommige camera’s of plaathouders vereisten een aangepaste maat. Zo was er een Weens model dat werkte met ronde platen (Voigtländer). De daguerreotypist moest dan zelf zijn platen knippen. Dit verklaart waarom sommige platen een onevenwijdige kant hebben of een zilvermerk missen.
korrelloos
Het beeld op een daguerreotypie is negatief. Dit komt doordat het geen afdruk is, maar een unieke afbeelding die via directe belichting ontstaat. Het beeld is echter als positief te bekijken wanneer het spiegelende oppervlak iets donkers weerkaatst. De tekening op een daguerreotypie kan zeer helder en scherp zijn. Het beeld zelf bestaat uit microscopisch kleine deeltjes van een zilver-kwikamalgaam in een hogere of lagere densiteit. In vergelijking met een vergroting van een negatief oogt een daguerreotypie vrijwel korrelloos. De tegenwoordige kijker ervaart haar daardoor als een beeld met een uitzonderlijk hoge resolutie.
Portret Jozefina Nelsen bij strijklicht (ca. 1853 - 1865) | Foto André F. J. Dupont | Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, Antwerpen
Inkleuring bij portret Mevrouw Van Doesburgh (ca. 1848-1865) | Fotograaf onbekend | Streekarchief Bommelerwaard, Zaltbommel
licht accent
Omdat een daguerreotypie geen kleuren weergaf, werd desgewenst kleur aangebracht. Dit gebeurde meestal met verf. De toepassingen variëren van een licht accent hier en daar, zoals een rode blos op iemands wangen of het inkleuren van kleding, tot meer rigoureuze inkleuringen zoals bijvoorbeeld complete atmosferische achtergronden. Met name juwelen werden aangestipt, hetzij met goudverf, hetzij door in de zilverlaag te etsen voor een glitterend effect.
Terug naar dossier |